2.
'K zal van mijn huis een' tempel maaken,
Waarin ik mietjen eer en dien;
En daar ook mijn Godin zal blaaken,
Zal 'k mij door haar begunstigd zien;
Wat zal zij mij niet geeven!
Wat zal 'k gelukkig leeven,
Met mijn Godin,
In kuische huwlijks min!
Een aantal kindren,
Zal niet hindren,
Zij maaken ook het werken ligt,
Dan is het een pligt;
Als 't wichtjen slechts lonkt,
Wordt moeder ontvonkt;
En worden zij groot.
Dan tog nog geen nood,
Geen nood,
Geen nood,
Geen nood,
Geen nood!
Een ander, een ander, veracht' de kuische trouw,
Een ander, een ander, veracht' de kuische trouw,
Voor mij ik neem een vrouw,
Een lieve jonge vrouw.