7.
Mijn naaihuis zou 'k niet willen missen,
voor geene schatten ook hoe groot;
En laat de Hemel mij niet trouwen,
dan naai ik ligt tot aan mijn' dood;
Ten minsten vast bij andre keezen:
wel werken, maar voor 't Vaderland,
Want 'k houd door naald en draad en, ijver
een huisgezin in goeden stand,
een huisgezin in goeden stand.