6.
Maar begrijp ik dat mijn touwen,
Dienen kunnen aan een' Kees,
Om zijn boêltjen zaam te houên,
O dan zing ik als een mees,
Want dan kan 'k mij zelv' beschouwen,
Als den bijstand van een' Kees;
Want dan kan 'k mij zelv' beschouwen,
Als den bijstand van een' Kees,