4.
'K moest laatst voor Juffrouws lieve zoontjen
een roosjen naajen op zijn' hoed,
'T is wel wat moeilijk; maar geen arbeid
is zwaar, dien men gewillig doet:
Ik maakte een roosjen dat schier lachte,
en 't staat den jongen wonder schoon;
'K dacht in mij zelv' wat is het jammer,
mijn Juffrouw heeft maar éénen zoon,
mijn Juffrouw heeft maar éénen zoon,