4.
Tobt ze 's nachts niet met de kindren,
Dan gemeenlijk met den man;
Wijl het onvermocide ligchaam
Juist geen nacht lang rusten kan:
'S morgens is 't alweêr het zelfde,
Alles gaat op klokslag voord;
'S middags moet de disch gereed zijn,
Of de Meester is verstoord.