6.
Mijn goeden Heer doet echter anders.
de man zwygt altoos voor zijn vrouw;
Hij zegt: een vrouw die geen zottin is,
denkt beter dan men gissen zou:
'K zou voor vermaak dien man bedienen,
hij is een waare vrouwenvrind,
En waar' hij vrij, en waar' 'k geen naaister...
ja maar, dat's alles in den wind;
ja maar, dat's alles in den wind.