Aan onze Fransche medeburgers.
Air: Que le Sultan Saladin.
Welkom, braave Heldenstoet,
Gij die spaarden goed noch bloed,
Om uw Broeders vrij te maaken;
Gij kwaamt onze kluisters slaaken,
Steeds wordt gij met roem vermeld!
't Geweld, 't geweld
Wierd door uwen arm geveld;
Het geen de despoten duchten
Blijkt uit hun vlugten. (bis)
Nederlanders! weest nu blij,
Daar gij zijt verlost en vrij;
Gij zijt thans geheel ontslagen
Van een juk, te lang gedragen;
Pruissens magt benauwd ons niet;
Het liet, het liet
Nu zijn maagschap in 't verdriet;
En het geen die snoden duchten,
Bleek uit hun vlugten. (bis)
Engeland weet ook geen raad;
Zijne armée is buiten staat;
De despoten zijn geweken;
Franschen! gij hebt, onbezweken,
Ons belang steeds voorgestaan;
Uw daân, uw daân
Bragten ons de Vrijheid aan;
Gij verloste deze Landen
Uit hunne banden. (bis)
Vrijheid en gelijkheid zij
Steeds de band der maatschappij!
Heil en broederschap verbinden
Ons aan u, o menschenvrinden!
Want door u wierdt, onverwagt,
De magt, de magt
Van de dwing'landij verkragt;
Zo zag men de kluisters breeken,
Monsters verbleeken. (bis)
Dappre Helden, Broedren rij,
Dat uw deugd ons richtsnoer zij!
Dwinglandij en Heerschzugt wijken,
Daar gij doet uw vaandels prijken;
Neem ons dan als broedren aan;
Voortaan, voortaan
Blijft ons hart voor Vrijheid slaan;
Eeuwig zullen wij u danken,
Met blijde klanken. (bis)
Iz. van WESTERKAPPEL, Jr.