Grondig onklaar.
Groot-sprekende Kwiryn, had altyt in de mond,
Hoe dat hy grondig, hem op alle dingen verstond,
Heel grondig, wist hy van de regten,
Heel grondig, van geschil te slegten,
Heel grondig, van de Mediçyn,
Heel grondig, van de Middellyn,
Heel grondig, van de luit te strelen,
Heel grondig, met de keel te kwelen.
Heel grondig, wist hy van Zee,
Heel grondig, van de Kryg en Vreê,
Heel grondig, van het Rhetoryken,
Heel grondig, van het Starrekyken,
Heel grondig, van de Wevery,
Heel grondig, van Landmetery,
Heel grondig, van het paard beryên,
Ik kon dat znorken niet meer lyên,
En zey, Kwiryn, al was nu al uw zeggen waar,
Is grondig onklaar, zo verstaje het niet Klaar.