Aan de over Zoete Juffrou, Mejuffrou.
Ik bid, weest niet vervaart,
En dog u zorge spaart,
Al ben ik grof van Vuysten,
Van Spieren en van Knuysten,
Ook Dik en lang van Leên,
En Hart en Styf van Zeen',
Gy zult 'er niet van Sterven,
Ik zal u niet Bederven,
Want weet het grootste Vat,
Noyt groter Kraan en hat,
Als wel de minder Vaten,
Maar dat die zouden Laten
Zoo veel, en zuyver Nat,
Als wel het grootste Vat,
Wilt nimmer dat Geloven,
Want 't Spreekwoort dat dryft boven,
Een grote Ton daar mag 't op staan,
Een Reysje meer ter Kraan te gaan.