Skip to content
1741

Apollo's St. Nicolaas-gift aan Minerva

Anoniem

Zinter-klaas vreugd. Stem: Kom zoend malkaar, kom vat, enz.

1. Wat is 'er al Vermaak en Vreugd, Te zien op Zinter-Klaas, Hoe Vrolyk is als dan de Jeugd, Wie is 'er nog zo dwaas, Dat hy niet nevens my belyd, Dat in het gantsche Jaar, Is geen zo aangenamen tyd, Kortswylig zoet en raar.

2. Wat kan men dan aan alle kant, Al Kraampjes zien ter loop, 't Is buyten 't Mensselyk verstand, Wat dat 'er is te Koop; Van alle Brood, en Koek gebak, Van Zuyker en Banket, Dat tot een yder eens gemak, Op Tafels werd gezet.

3. Ook alle zoort van Poppe-goed, Van Zilver, Koper, Tin, Op dat de Jeugd hun luste boed,

En yder Koopt zyn zin: Huys-Vaders geeft u door de Stad, Met 't Vrouwtje aan u zy, En Koopt tot dat de Beurs werd plat, En maakt u Kind'ren bly.

4. Gy ziet hoe dat zy Kous en Schoen Ophangen, menen laas! Met Hooy en Water dienst te doen, Aan 't Paard van Zinter-Klaas, En denkt wanneer gy niet en geeft, Hoe droevig elk ziet, Wanneer dat yder een wat heeft, En zy allenig niet.

5. Het is geen Ouderlyke zugt, Nog Liefde tot zyn Kind, Dat Gy zoud zien zyn ongenugt, Wanneer het niet en vind; Koop Ouders, Koop dan voor u Kind, Gy kund der winst meê doen, Het minst dat gy 'er mede wind, Is altyd Zoen, op Zoen.

6. En Jonkmans die u Meesteres, Beloofd hebt om van daag, Te leyden door en door de Nes, Het Meysje is al graag, Naar 't een of ander Poppe-goed, Als of zy was de Bruyt:

Wel aan verzuym geen tyd, gy moet Der met de Meyd op uyt.

7. Koopt een Haarsteker of een Naeld, Of zoete Kolkze Koek, 't Is even na van waar gehaald, Al was het uyt u Broek, Zy zal u weêr een ander ding, Vereren in de plaats, Al was 't een uytgeleze Ring, De Vreugd der Jonge Maats.

8. Zo gy haar twe Pendanten Koopt, Dat is de regte zous, Terwyl gy dan met reden hoopt, Van avond nog haar Kous Te krygen, om van deze nagt Daar meerder in te doen, Waar door gy weêr van 't Meysje wagt, Vriendschap en Zoen op Zoen.

9. Die wakker Zinter-Klaas goed geeft, Die doet de Meysjes deugt, Den tyd van negen Maanden heeft Het menig een geheugt, Ik weet hier Meysjes in de Stad, Die gaven zo men zegt, Op Zinter-Klaas haar waardste schad, Haar Maagdom aan een Knegt.

10. De Pagt die is ten end gebragt, De Zinter-Klaas is uyt, Die 't Meysje nu braaf heeft bedagt, Die krygt haar tot zyn Bruyd, Zo dat deez' dag niet geven kan, Als Vreugd en Vrolykheyd, 't Helpt menig Meysje aan de Man, En Jongmans aan de Meyd.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.