Stem: Ik was nog maar een spruyt &c. WAt is de Wereld slegt! Genegen tot kwaad duiden: Hoewel men 't overlegt, Nog ziften het de luiden Zo fyn, Dat oolyk zwartjes doen niet ongezift mag zyn. 2. Zy had een hupsen Haan Zeer grof van kam en leden, Die als een Paauw kon staan En als een doffer treden, Zeer koen, Dat zwartje garen zag, en liet het dikwils doen. 3. Daar was in 't zelve kot Een Bestemoer der Hennen Een ouwe Kakelpot Met Itaaljaanse pennen, Die gauw, So ras sy Haanneef zag, ging duiken voor zyn klau. 4. Maar zwartje niet te vreen Met dees bedrieglykheden, Sey, Haanneef hoor, alleen Suld gy voor zwartje treden Met Kragt: En zo jy anders doet, zo vrees, zo vrees te nagt. 5. Wel zwartje, zei de Haan, So dat is uw believen So laat ons vlugten gaan: 'k Sal u alleen gerieven; Voorwaar, Het viel my in dit kot al lang te lydig zwaar.
6. Dit was na zwartjes zin: Daar op zyn zy gevloogen, Op 't spoor van Hoendermin, Uit Kakelpot haar oogen, Zeer ras: Als of'er buiten 't kot meer pret te halen was. 7. Maar zwartje dat is mis, g' Hebt uw gemak verloopen, De garst zuld gy gewis Nu zelve moeten koopen, Voor geld; Of voor je veeren als de beurs is uitgetelt. 8. Zo ras als Haanneef ziet Dat hem het voer zal missen, Zo treed hy langer niet, Point d'argent point de Suisse, Altyd; Zo datje, 'tga zo 'tga, 'tverstooten slonsje zyt.
Cookies on Poetry Cove