Zang.
BReng my veertjes, Pluimgediert,
'k Wil mee in de blaaren woonen,
Roosje, lang by my gevierd
Verheugt zig als gy tiereliert.
Brengt veertjes, Vinkjes, ach! die schoone
Schept ligt genoegen in myn Lied.
Als ze op uwe lieve toonen
Haar minnaar zingen hoort; en hem een Vinkje ziet,