Skip to content
1750

Apollo's kermis-gift aan de Haagsche vermaaksgesinde jeugd. Deel 2

Anoniem

Stem: Wanneer de Zon in't morgenroot. ô! LIefde, Liefde, schei eens uit Myn teeder hert te grieven.

Ik ben u een gewisse buit En hang van uw believen. Eerst trof my Zwaantjes zwanenhals; En Blondjes tuitjes zydemals? En Valkenoogjes Oogen: Toen zoeten lieffelik gezang; En Haasjes voet en vlugge gang, Vol toverend vermogen. 2. De prop're mond van Rozemond Hield myne ziel gevangen, Terwyl ik aan het kogelrond Van Klaartjes borst bleef handen. Soo ras ik Flora's koontjes zag Verliefde ik op haar guiten lach, Een Tuin vol malse bloemen: Terwyl ik dol na Hageroos, Haar blanke en kleine handjes koos, Alleenig waard te roemen. 3. Het Leliwit van Leliaan, Met Rozenbloed gebroken, Houd nu myn zinnen stille staan En doet m'in Liefde koken. Maar Galoos ryzig net postuur Verdeelt ter stont dit minnevuur: My boeyen hare leden. Ach! Liefde, Liefde, schei eens uit Ik ben u een gewisse buit; Waar toe my meer bestreden?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.