Stem: Wanneer de Zon in't morgenroot. VOlmaakte Kloris luister toe, Met my op't dons gezegen: Myn hert is vol, Ai! luister hoe De Liefde kan bewegen. Toen Mars met Venus lag te bed Kort voor de list van 't yzernet, Riep hy in zyn bedryven, O! Vreugt die nergens weerga heeft, Daar't Godendom alleen door leeft, Wie kan uw kracht beschryven. 2. O Weelde riep de bleeke Maan In Latmus duist're dreeven, Daar komt myn Heil, myn Herder aan, Om my te doen herleven. 't Schynd zey zy, of dit jeugdig gras Nog plat van gister avond was. Hier ga ik weder leggen. Edimion kom aan myn zy En kus en streel en troetel my, 'k Sal niets daar tegen zeggen. 3. Toen 't schoon en wonder Mirrekind In de Sabeesche velden Tot smorens van de Min bemind, Zyn wellust zoude melden, Vloog Venus ligterlaag in brand En greep Adonis by derhand,
En zeeg met hem te neder; Hier zei zy, op dit krakend groen Zult ge uw vertelling beter doen. Hier leggen wy gereeder. 4. Toen Paris met Helene vlood Uit Menelaus hoven. Lag hy in haren malsen schoot Syn hertje zagt te stooven. Toen prees hy Venus hemelhoog. Toen zag hy dat zy niet bedroog. Toen riep hy duizendmalen, Weg Juno met uw Pauwenstaart Weg Pallas met uw Uil en zwaard: Niets kan by Venus halen. 5. Toen Held Eneas in der nacht Aan Dido's zy gelegen, Vertelde wat geval hem bragt Door zo veel vreemde wegen; Schoot hy de blonde Koningin Het hert vol vuur, het oog vol Min: Zy deed de Hofzaal ruimen. Het Tafelbedje was gereed: Anschisestellig, wat gy deed Verklikten al de pluimen. 6. Maar Kloris Lief, ik proef alleen Met u die suiker weelden, Die al de Goden in't gemeen In haren wellust deelden. Ik ben u Mars uw Priaams Zoon: Ik ben Endymion, Adoon: Ik ben uw Roem der Frygen: Ik zie in myn Venus aan, Helene, Dido en Diaan; Daar ik vol op kan krygen.
Cookies on Poetry Cove