Skip to content
1750

Apollo's kermis-gift aan de Haagsche vermaaksgesinde jeugd. Deel 2

Anoniem

Stem: { Mars van la Lause. { Is het niet een groote spyt. BAcchus was een Nob'le geest: Laat ons Bacchus pryzen; Maar Venus is een poes geweest, Dat men kan bewyzen. 'k Zit des liever op een bank

In 't lommer van een Wyngaardrank: Ik, Ik, Ik, hou veel van lekk're drank; Want by de Wyngod ruikt het fris, En Venus stinkt als rotte vis. Wel aan! verlaat de laffe min, Wel aan! verlaat de laffe min En treed de kelder in. 2. Een dronkaart spreekt gelyk hy peinst: Dat kan met zien en tasten, Maar 't vrouw volk is altyd geveinst, Een zoen zou haar belasten. Dog als d'een by d'and're staat, 't Is al van vryen dat men praat: En, En, En hoe dat het minnespel gaat. Baaden wy ons dan in de wyn En belaggen de Minnepyn. En geef de zak aan uw Maìtres, En geef de zak aan uw Maìtres, Verkiest een volle fles. 3. 't Geen een Vrouwmensch ons nog bied. Haar zoetste Minneranken Heeft van haar zelven niet: Maar moet het Bachus danken. Een dronke Vrouw is zegt de wet. Een Engelin in't zagte bed. Dan, Dan, Dan geeftse ons de regte pret. Drinken wy dan naar onsen wensch. Wyn alleen verheugd den mensch. Ik lach met Venus en de Min, Ik lach met Venus en de Min En ik tree de kelder in.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.