Skip to content
1750

Apollo,s kermis-gift aan de Haagsche vermaaks-gesinde jeugd. Deel 1

Anoniem

Stem: Marsch van Marlbourg. WAt is'er droever in de min, Helaas wat heeft meer smerten in,

Als 't scheyden van twee Liefjens eens van Sin? Bedenk eens wat uw Minnaar lyd, Myn Engels als gy van hem zyt: En wat al ramp en droef gequel, Volg top dat hart Vaarwel. Ach! daar en is geen smert zoo groot, Niets dat my zo van Vreugt ontbloot, Als dit alleen,, Vaar wel, 'k ga heen, Dit 's erger dan de dood. 2. Want boven dat men mist zyn lust, Is in 't vertrek ons onbewust Wanneer men weder eens zal zyn gekust, Dit is de msert die 't hert doorgriefd, Dit is het leed dat zoo verliefd, Schier rukt de tranen uyt myn oog. Gedoogd dan, Ey gedoog Myn lieve Elisa, dat met lust Ik nog eens van u werd gekust, Eer dat het zoet, Der minnegloed, In ons werd uytgeblust. 3. Uw oogjes daar de min uit straald, Waar uyt myn Ziel zyn voedsel haald, Zyn my een Son, waar voor myn onheil daald, Keer weer dan Engelin! Keer weer, Eer dat ik door myn smert verteer, En maak dat ik niet lang alleen Uw droef vertrek beween. Toon my haast weer uw zoet gesigt, Dat voorwerp van myn liefde en pligt, Leef met my in,, De zoete min, Daar alle vreugd voor zwigt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.