Skip to content
1750

Apollo,s kermis-gift aan de Haagsche vermaaks-gesinde jeugd. Deel 1

Anoniem

Stem: Wanneer de Son in 't Morgenrood.

IS 't Waarheid dat gy my bemind? Zo als ik uyt uw drift moet gissen? Laat Gloorroos, laat dan eens de wind Van uwe Mins-geheymenissen Maar slegts verkondigen, hoe gy Dan sugten kund aan myne sy? Ach! Glooroos Lief, laat uw oogen My slegts verkondigen, hoe gy Dan sugten kund aan myne sy, Of Liefde's groot vermogen. ^tab|2. Om dat ik, zey zy, u geheel En redelyk bemin myn Floris, Soo vrees ik eens het dierbaar deel Te smetten van het geen myn Gloor is: Want eerb're liefde werd ligt geyl, Wanneer men 't al voor haar heeft veyl, Sie Floris, dat 's de reden: Want eerb're Liefde werd ligt geyl, Wanneer men 't al voor haar heeft veyl, Door haar aanlok'lykheden. 3. Hier op ontrok zy my haar hand: Hoe, vroeg ik, kan myn Hand uw krenken? Neen zey zy, 'k vrees myn eygen brand, En die mag ik met re'en verdenken. Myn liefde heeft geen weder-gâ:, Maar vuur en Strô diend niet te nâ Of 't raakt ligt aan 't branden. Myn liefde heeft geen wedergâ: Maar Vuur en Strô diend niet te nâ. De Min vleid door uw handen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.