Skip to content
1750

Apollo,s kermis-gift aan de Haagsche vermaaks-gesinde jeugd. Deel 1

Anoniem

Stem: Courante la Bare. WAarom of Venus droevig schreid En maakt met tranen nat haar schone wangen Sy schynd met sware druk bevangen: ô Ja! zy is haar lieve Soontje kwyt. En waar sy soekt of waar zy ziet, Sy vind helaas! het kleine Godje niet; Vervloekte Goudzugt gy hebt hem verdreven. Uw snood geweld Deed hem vaak beven Voor de magt van 't geld. 2. Dus klaagt zy met een droef geween En dugt vast, waar Cupido was geweken. Ach! wist ik waar hy was versteken, Myn ziel die vloog'er straks vol vreugde heen. Schep moed, ô Paphos Koningin! Ey stut uw traantjes Moeder van de Min! Ik zal uw haast uw lieve Soontje toonen. Hy sit in 't oog Thans van myn Schoone; Met zyn Pyl en Boog. 3. Hy stigt daar met zyn toorsje brand, Het puikje van zyn flonkerende stralen Doet hy uit Cloris oogjens dalen, En kwest helaas! myn ziel en Ingewand: Zo gy my nu ooit dese Daad

Vergeld, maak dat hy uyt haar Oogjes gaat. Geeft dat hy in haar koude Borst komt wonen, En buyg de Sin Dog van de Schoone Eens tot Wedermin. 4. Dan zouw myn lang geleden smert Opstaande voet in blyde vreugd verkeeren. Wat zoud ik steeds uw Godheyd eeren, ô Venus! met vernoeging van myn Hert! Ik zouw bekranst mirth en groen, Uw Jaar op Jaar een trouwe hulde doen En met een Offerhand' uw Hoogtyd vieren, Met Blyden dans En vlugge swieren, Voor uw Tempel-Trans.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.