Stem: Wanneer de Son sijn Paarden mend. DE Son rees nauw ter Kimmen uyt. Of Thirsis door de min Schier al syn leven lang gebruid, Ging mym'rend Boschwaard in: Daar hy na lang te talmen, Ten koste van syn Long, Dees doodelyke galmen Sig selfs ten hals uitwrong. 2. Helaas! Cupido dertel wigt, Ik ben weer in uw magt, Gy hebt in 't eynde door u schigt, My weer tot min gebragt. Ach! moet ik zoo myn leven En 't dierbaarst' van myn Jeugd Aan u ten besten geven, En leven sonder vreugd. 3. Maar waarom tog nu onbedagt U van de min beklaagd? Daar gy tot nu gelukkig agt Het uur, dat g'haar eerst zaagd: Wie kan het zoet vermogen O Phillis wederstaan Van u Zieldwingende oogen? Wie kan uw magt ontgaan? 4. Ik wensch staag na gelegentheyd, Dat ik myn Son mag zien, En denk haar myn gelegentheyd Ootmoedig aan te bien: Dog naauw'lyks slaat z'haar oogen Maar even op my neer, Of ik vind my bedrogen, De moed ontzakt my weer,
5. Sagt Thirsis! denk ik, eer 't u rond, Verswyg veel eer uw min, Eer men u voor vermetel houd, Dat gy zoo los u sin Op zulk een voorwerp veste; Zie toe wat gy begind, Voor dat gy ten leste In dubb'le rampen vind. 6. Hier sweeg de droeve Thirsis stil, Verrukt door al zyn leed; Terwyl een Vloo zyn linker bil Schier heel aan stukken beet. 't Geen hem soo toornig maakte, Dat hy uyt enkel spyt Syn Minneklagt hier staakte, Tot op een ander tyd.
Cookies on Poetry Cove