Skip to content
1750

Apollo,s kermis-gift aan de Haagsche vermaaks-gesinde jeugd. Deel 1

Anoniem

Stem: Een Gelders Graaf vermoeyd van 't jagen. WAar vind men zo veel Ziels genugten, Als men vind in de soete min? Geen Hertstogt die ons door zyn Vrugten,

Zoo houd geboeyd aan hert en sin, Als 't zoete minnen,, dat steeds ons gemoed, En onze sinnen,, Door haar lieve gloed, Zoo'n zoetheyd smaken doet.

2. Niets sal een minnaar moey'lyk vallen, Indien hy slegts getrouw bemind, De Vreugd, wanneer hy Cyprus-wallen Daar na al kussend overwind,

Kan hem gensen,, Van zyn droeve smert, Waar dat voor dezen,, zyn gepynigt hert Geheel in scheen verwerd. 3. ô Phillis dit heb ik bevonden;

Wanneer my uw Zieldwingend oog Myn hert ontstal, myn Ziel doorwonde, En my tot uwe Min bewoog, Riep ik wat rampen,, Kommer en elend

Komt my bekampen,, Ach ik zie geen end, Waar ik my keer of wend. 4. Maar toen gy my daar na ten deelen Met uwe gunsten kwam te baat,

Sag ik myn droeve wond haast heelen, En vond my in een beter staat, Ja al die klagten,, Waar dat ik eerst in Scheen te versmagten,, Syn nu door uw min

Verbannen uyt myn sin. 5. Soo zoet is't Phillis u te minnen, Wanneer men maar het minste deel Van uwe lieve gunst kan winnen.

Maar ach! besat ik die geheel Myn waarden Engel,, dit is dan het geen Daar ik om hengel,, En dat maar alleen My stellen kan te vre'en.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.