Skip to content
1746

Apollo's kermis-gift aan de Amsterdamsche Juffers. Derde deel

Anoniem

Wyze: Van de Merliton. 1. O Wat heb ik moet Naayen Aan die lieve Boezelaars, Om ze aan malkaar te draayen. Ik zeg by loo het is wat raars, Zo waaren ze geplukt, En ook gerukt, Aan honderd stukken; Zo waaren ze geplukt En ook gerukt.

Ik heb myn kop braaf zitten breken Eer ik de Capjes had geleid, Om die weer zo aan een steken, En na de Bloem en rank verspreid; Toen met een Vingerhoed, En Naald met spoed: Gegaan aan 't Vinken Toen met een Vingerhoed En Naald met spoed. 3. Wat dunkt Me-Juffers van het Naayen Konje wel een steekje zien? Zou 't wel iemand beter draayen, Kan 't wel Mooyer ooit geschien? Dus is 'er niet verbeurd Al was 't gescheurd 't Is weer in order, Dus is 'er niet verbeurd Al was 't gescheurd. 4. Zo u een Naayster mogt ontbreken Om te Naayen 't een of 't aar, Gelieft me dan maar aan te spreken, Want ik Naay en stop heel raar, Ik ben niet eens bedeest Of ooit bevreest; Voor groote scheuren Ik ben niet eens bevreest, Of ook bedeest.

5. 'k Behoef me zelven niet te pryzen Je ziet wel dat 'k myn Ambagt kan, Me-Juffer wilje meer bewyzen, Kom neem 'er nog een proef dan van, Want 'k ben gerust beget, Dat 'k Naay heel net, En ook stop aardig Want 'k ben gerust beget, Dat 'k Naay heel net. 6. Daarom als 't weder mogt gebeuren Dat 'k door snuiten van myn Neus, Het een of ander quam te scheuren, Ik zal 't dan ook weer genereus Heel netjes op een draat, Na bloem en plaat Knaphandig stoppen, Heel netjes op een draat, Na bloem en plaat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.