Skip to content
1615

Apollo of Ghesangh der Musen

Anoniem

Stemme: Rubinette. EEn Heremijt vvil ick vvorden, Steken mijn in’t diepe vvoudt, En’t naackte lijf omgorden Met een grove tabbaart oudt, En eten nimmermeer noch broodt, noch vis, noch vleys; Maar vvortelen na penitentijs eys.

Die uyt mijn ooghen sincken Door de vveenelijcke smert, Mijn tranen voor mijn drincken Laven sullen ’t dorstigh hert, Mijn hert gelijckt d’oorspronck van menich klaar fonteyn, Die’t uytghespogen vvater drincken reyn.

Mijn bedd’ de koude aarde, Peuluvv’ een vier-kante steen: In mijn hol ick vervaarde Rodomont met mijn ghesteen: Al mijn huys-raat sal zijn een doodts-hooft met een kruys, Een prickel-geessel in dit doncker huys.

Drie reysen t’elcker uyren Rijten sal ick op de huyt, Dit torment sal my duyren Tot dat mijne kaars gaat uyt, Of dat de vvreede Maaght melijdich is tot my, Aansiende al’t gheene ick om haer ly. Ionghe Spruyt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.