Skip to content
1615

Apollo of Ghesangh der Musen

Anoniem

Op de stemme: Rubinette. SInt dat ick schoone Maghet Van de Goden heb ontfaan ’T gheen dat my meest behaghet, D’ooghen eens op u te slaan, Denck ick staach in mijn gheest, ist oock een mens van aard, Daar heerlijckheyt soo veel in is vergaard. Vw’ooghen als twee Sonnen Blincken in het aanschijn klaar, Maar meest blijf ick verwonnen, Door u suyverheyt voorwaar, Maar als ghy totte spraack u proper mondt ontbindt, Dan blijcket ghy voor al een Hemels kindt. Of ghy moet sijn Diana Die Goddinne van de jacht, V naam die wijst oock ane Voor een dieder wel op acht, Of seght eens met wat net, daar ghy u garen hanght, Waar mee dat ghy de wilde herten vanght. Seght, seght eens jagherinne, Wieder oyt heeft onghefaalt, Als dese jacht-Goddinne Eenigh hert ter loop onthaalt, Maar sonder eens uyt u ghewoone tredt te gaan, Soo hebdy ’t alder wildtste hert ghevaan. Al mijn rijckdom en goeden Had ick aan dit hert besteet, Van jonghs op gingh ick’t voeden Met al dat een hert liefs eet, Maar ’t worden alsoo wildt dat het my selfs ontsprongh, En noyt en wasser yemant die’t weer vongh. Eens isset weer ghehouden, Maar de Parcken lieten ’tlos: Nu hebdy’t, willet houden, Stiert het niet weer in het bos, Wy warent beyde quyt, dan als het so mocht zijn, Soo gunn’ ick het veel liever u als mijn. ’T is van gheen kleynder waarden, Maer het beste van sijn soort Zijt ghij Goddin op aarden, Weten kendy’t onghehoort: Een hert hoe’t wilder is, soo veel ist beter mee, In alle dingh is dese reeckningh ree.

Maar ick vrees van de honden, Als Actaeon onbedocht Te worden oock verslonden, Om dat ick het versocht, Maar mocht ic als hy deed u Godlijc lichaam bloot Aanschouwen so en was het noch geen noodt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.