Skip to content
1615

Apollo of Ghesangh der Musen

Anoniem

Op de vvijse: Sal ick noch langh met heete tranen, etc. GHy wack’re Nimphjens en Dryaden, Raept bloemtjens die hier Flora stroyt Siet Bacchus schut sijn wijngaart bladen, Hy clucht, hy singt, hy springt, hy poyt. Io, jo, Paean jo,, jo, Paean, jo, Io, jo, Paean jo, roept Hymen vrolijck uyt: En huwt de sang aan sijn luchtige Luyt. Waer zydy nu, ghy Nuery-dillen Die menichmael uyt jonsten quaamt, Dit schreyend’ Wicht met singen stillen, En steel-wijs uyt het wiechje naamt, Met deuntjens soet, wel slecht, maer goet, Met deuntjens soet, van ’t suye nani pop, Heft nu u stem tot hooger stoffen op. De liefdekens die zijn gecomen Met haer bevallijck schoon cieraet, En hebben haer woonstee ghenomen In’t vriendelijcke soet ghelaet, Van onse Bruydt, met deuchds vertuyt, Van onse Bruydt, die wijllen was een kint Die werdt nu van den Goden selfs bemint. Heylige liefde groot van waarden, V oogen op dees lieven slaat: Sackt neder op de logge aarde, En vesticht desen echten-staat, Dats an haar disch, soo goet als fris Dats an haer disch kints kindren mogen sien, Laat haaren wensch en d’onse oock geschien.

Prince. Ghy Vorst des lichts, en Heer der Heeren Maackt dat de liefde stadich bloeyt, Wilt tweedracht, twist, van haar af keeren, Waar door dat alle sonde groeyt, O Vader goet, u wille doet, O Vader goet, die goede gaven geeft, Maackt dat dit paar na dijn geboden leeft. G.A. Bredero, ’tKan verkeeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.