Stemme: Alst begint. IN’t midden van dit laghe Neder-landt, bis Niet verre van de Zee, bis Niet verre van de Rijn, bis Daar leyt een schoone stee, Daer woont een meysken fijn, Och alsoo soet, Och alsoo goet, Soo lustich en playsant.
Ghelijc een roos seer lustich staat en bloeyt, bis Vroech in den dagheraat, bis Den natten dau ghebruyckt, bis Hooch op den rosier staat, Sijn bladen schoon ontluyckt, Met soete geur, Met roo coleur, Van niemandt afghesnoeyt.
Soo is de fleur van Maaghden dien ick meen, bis De vroeghe morghen-stondt, bis Is hare jonghe jeucht: bis Den adem van hare mondt Te ruycken is een vreuchdt, Twee rooskens zijn In haar aanschijn, Twee wanghskens ellick een.
Die’t roosken siet, so wit, so root, so fris, bis Sijn lust en sijn begeer, bis Sijn wenschen al gheheel, bis Is dat hy ’t roosken teer, Mocht pluycken van de steel: Als ’t wordt bewaart, Meer lust hem baart, En tot een hertseer is.
Die dese siet, so heus, soo gratieus, bis Al waar hy grof van hout, bis Al waar hy rou van steen, bis Sijn hayr sou menichfout, Om haar aanschijn alleen, Versuchten soet, Al sijn ghemoet, (40)Met sinnen amoureus.
Gheen schoonder Maaght als dees en kander zijn, bis Al draeyt de Son altijdt bis
Rondom des aardens kloot, bis En maackt veel landen wijdt Met sijne stralen root: Soo suyverlijck, Soo deuchdelijck, En raackt gheen Sonne-schijn.
Gheen trotse naam, noch kleeren vol hovaard, bis Sy nimmer aen en doet, bis Noch draaght gheen ydel rom bis Op’t groote gelt noch goet, Noch op’t lichaam, allom Houdt sy haar slecht, En seer oprecht, Is haar doen op dees aard.
Maar dat sy is int vroulijck gheslacht bis Van schoonheyt niet ghemeen, bis En Hemels sonder blaam, bis Behalven een alleen Aanwijst oock haren naam, Die Dochter-moer, En Maghet-vrou Haar, Heer, ter werelt bracht.
Cookies on Poetry Cove