I. Kvsie.
TIrsinne Lief, toets-parel van de jeugd,
Vergeef dat ick beminde
Voor desen, met een overgeve vreugd,
De trotse Maagd Florinde.
Twee jaren heeftze my, gelijck een bal.
Gekuyffelt heen en weder,
Maar nu het soet verandert is in gal
Duyckt al haar liefde neder.
Sy staat misschien, op ’t Schouburg, nu aan ’t Y,
Ten toon voor yeders oogen,
Dies sietge dat ick haar niet meerder vley
Als van een Pry bedrogen.
Wech met de daat, haar naem is my te veel,
Ick ga, met lust, besteven
Een and’re kust; geen kust en is soo eel
Als daar ghy kust mijn leven.
Mijn Lief, mijn Son, mijn uytverkore schat,
Wilt ghy mijn ader stijven?
Soo kus my slegs, een kus, o suyver vat!
Doet my ten wolcken drijven.