Toon: Ick quam op haer Slaep-kamertje gaen, &c.
GOdin, die my de sinnen// ontroert,
En steedts om u te minnen// vervoert,
Een hart dat sich van binnen// beroert,
Verlieft op sulken beeld,
’t Welck een ieder de lusten ontsteelt,
Vergoede Maaght,
So u behaagt
Een minne-sucht van uw’ Streler,
Ach! luyster ’t geen hy klaagt.
2Ick streck des nachts mijn leden// in’t bed,
Daar werd dan op uw’ seden// gelet,
Bedruckt aldaer mijn reeden// ick wed:
Dan segh ick: Ziele-dief,
Och! o Soetertjen! hadje my lief,
Gy stelden in
Vw’ hert en sin,
De vuurige en trouwe gloedetjes
Van mijn ontsteecke Min.
3Ick die met vreugd mijn plichte// volbreng,
Die steeds in uw’ gesichte// my seng
En voor uw’ straal moet zwichte// geheng,
O! aller Maagden pronck,
Doch een heusche en dartele lonck
Vw’ Dienaar mint,
Isgondes kint,
En sal haar eeuwigh besinnen,
Soo sy ‘er lust in vindt.
4Voogdesje van mijn lievende// Ieugd,
Dat gy doch met gerievende// vreugd
My streelden, ick verhief uwe deugd,
Met dav’rend sang, en liedt,
Ha! mijn zieltje dan meenj’et of niet?
Ick segh en zweer
Op trou, en eer,
Godesje dat gy ‘er alleenigh
Mijn vryheyd stoot om veer.
5Wel aen, ick my tot karremen// stel,
En steets van u t’om-arremen// hel,
En niet als van ontferremen// mel
Dus klaagde, by het Y,
Tot sijn waarde, nu droevigh, nu bly:
O schitt’re Son!
Sey Celadon,
Wilt gy uw’ Harder bestralen,
Dempt hem in liefdes bron.
I. Bara.