Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel)

Anoniem

Stemme: Wanneer de Son sijn Paerden ment, &c. WAnneer de koutste tijdt van ’t Iaar, Ons aanbrenght harde Vorst, Dan zietmen vaak hoe menigh paar, Zoo menigh brave Borst, Die zigh dan gaen verlusten Op Amstels schoone Revier, Alwaar men dan met lusten, Kan krijgen puyk van Bier.

2Men wandelt naar den Omval toe Daar zet men zig wat neer, Om rusten, want men wort wel moe Wanneer men gaat zo veer; ’t Oog kan zig nau verzaden Van ’t geen daar d’Amstel mee praalt, Met cierlijke gewaden Waer op de zon neer straalt;

3En schittert met zijn helle glans Op Amstels Burgery, Ay! lieve kijk dat ’s Joncker Hans, Maar Kees rijdt hem verby, En Ariaan het sijn loper Gespannen in de slee, En dat is Monseur Proper. Die wil maar kan niet mee.

4Ey! ziet eens Jochem met zijn wijf Hoe vinnig dat hy rijt, Maar ziet hoe vaardig en hoe stijf,

Dat zy daar henen glijt, En dat is Monseur Werkhof Die daar zo vinnig slaat; Hy maaktet niet veel werk of, Noch heter slaat Gerrit sijn maat.

5So gaat het met de Rijke-luy Wanneer het winter is, Die niet en heeft, ’t is van de bruy, Die dobbelt veeltijts mis; En moeten zich belijen Met soberlijck haar behoef, Maar tijen hebben tijen, Des zomers dan is het weer troef. F. Klaix.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel) · Anoniem · Poetry Cove