Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel)

Anoniem

Stemme: Windeken daer het bosch, &c. AErdige Trijntje, geestigh dier, Stoockster van het minne-vyer, Die mijn sinnen dreef tot minnen, Minnen dat mijn ingewant Levendigh en verdroncken brand. Waerom verdroncken soete Meyt? Om dat ick u schoonigheyt Niet kan derven// Moet ick sterven. Sterven in een tranen-vloed, Soo ghy my met geen troost ontmoet. Troostertje troost my troostelijck staeg Want mijn zieltje is soo graegh, Om de smaeckjens// Van u kaeckjens Te genieten dien ik vond Als ick u kuste voor uw’ mond. Kussend’ zeeg mijn ingewand,

Uyt mijn lichaem, in mijn hand, Dat ick druckte// Als ghy buckte Achterwaard, op ’t u soo stijf, Tot dat het weer kromp in mijn lijf. Daer voor ick Trijntje danckbaerheyt Steets te loonen ben bereyt. Die my ’t leven// heeft gegeven, Toen sy in haer schootjen vingh ’t Ingewand, dat een vierdeel, hingh. I. S.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel) · Anoniem · Poetry Cove