II.
’t RYmen is geen bedel-nering,
Ick en rijm om geen vereeringh,
Sulcke Vossen zijn niet waard,
Datse Apollos schoenen knopen,
Die haar rijm om geld verkopen,
Phaebus heeft geen bedel-aard.
‘k Dicht niet om my te gelijcken
In gedicht, by Sinne-rijcken,
Neen, dat is begorteling
Voor die grove botheydt mijden,
En geen sotheyd mogen lijden,
Al te schandelijcken ding.
Maar ick rijm, mijn lief Tirsinne.
Om, in lusjes vol van Minne,
Eens te krijgen, na mijn wil,
Kusjes, die, met vaste gloeden,
Heerlijck hechten ons gemoeden,
Anders bleef mijn veder stil.
Kus dan laachjes, nu weer hoochjes,
Kus nu graaghjes, natjes, droochjes,
Braafjes met een vaste klem,
Afgodesje van mijn sinne,
Help mijn gorgel-klanck Tirsinne,
Met uwe orgel-hooge stem.