Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel)

Anoniem

Stemme: O Gruselle, ‘k bid u toeft. PHILIS waar vlucht ghy heen? Ach! laet doch mijn gebeên

Bewegen u, en doet my geen meer pijn: Want sonder u, als snuw, ick heel verdwijn, Siet doch aen, soete Meyt, Wat is u slaef, soo ghy niet gunstigh zijt: Maar soo ghy loont, hy sal gedencken Aen de vrientschap groot. Die hy van u genoot. 2Van droefheyt barst ick uyt, Soo ghy u hartje sluyt. Wilt niet mijn Zon, verlaten gaen het Hoff, Noch deez’ Rivier, daer ick songh tot u loff Met u op d’ Echo soet, Doen ghy mijn deelde lieve Nectar-vloet Vol Ambrozijn, en uwe kaacken, Daer ick nu met pijn Moet van gescheyden zijn. 3Adieu dan mijn Princes, Ghy zijt een Moorderes

Van mijne ziel, ‘k heb in min hert ghevoet De lieve Min, door u ghesicht seer soet: En sal tot aen mijn doot Gedachtigh zijn, dat ick om in u noot Myns levens ben, en oock doen blijcken Dat ick geerne zyn By de liefste mijn. P. W.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel) · Anoniem · Poetry Cove