Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel)

Anoniem

Stemme: Schoonste Lerinde, &c. SAl dan ’t onweder// nimmer bedaren, Dat my tot schipbreuck van mijn min, Deynst op en neder// sullen de baren Van ongeluck mijn verliefde sin Ghestaegh, en altoos zwallepen tegen, Sal ick noyt die zegen Genieten Harderin, Dat ghy mijn Lief mijn Engel zijt genegen En u laet bewegen, Te plegen weder-min. Blijft sy, O Goon! by ’t over wreet besluyt, Ban mijn Ziel dit rif, ’t rif de werelt uyt. 2Hemel en Helle, Godt stort u plagen Op mijn verliefde Ziel, kom doot, Eyndight mijn quelle// ey! hoor mijn klagen, Of scheep mijn Ziel in Charons boot, Dat hy my voert na Plutoos helsche stranden, ’t Eeuwigh eeuwigh branden.

Dat is van minder pijn, Stigiams muur, en Cerb’rus sijn tanden Te breken met handen, ’t Sal my lichter zijn Ixeons radt te draeyen, of de steen Die Sysiphus den Bergh af rolt na beneen. 3Stopt ghy u ooren// O wreede Goden, Bewegen u klachjes, noch gebeen, Ben ick gebooren// om duysent dooden V op te offeren voor een, Soo doet soo veel, segh mijn Lief, en groetse Voor my, daer gemoetse V, Cupido vliegh heen, Toetst haer de Ziel op u pijl, de toetse Van ’t minne, soo moetse Harder zijn als steen. Soo sy gheen brandt van weder min ghevoelt, Segh ik u pijl, en ghy niet seecker doelt. 4Daer heeft het Guytje// een pijltje doen flitse Van sijne strengh gepeesde boogh, Dat treft het Spruytje// ey! siet hoe sitse

Nu met de minne-vonck in ’t oogh, En wordt gepijnt, g’lijk sy pleeg te pijnen Mijn Zieltje// en ’t mijne Schept sijn adem weer: Nu sal de Son, die my wel eer deed quijnen, Self haer self beschijnen, Tot sy tot asch verteer, Soo stort de wraeck, een straf vol ongena, Trouloose Maeght op uwe ziel, ha, ha, ha. M. Keusers.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel) · Anoniem · Poetry Cove