Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel)

Anoniem

Stemme: O Goddelijcke Galathee, &c. WAnneer ick eens te bier wil gaen, ’t Is voort ses stuyvers voor de Vaen, En dit is ’t slimst van allen: Wanneer ick dan beschoncken ben, Soo leert mijn breyn, myn losse pen Van yeders eer te kallen. 2En ben ick tot de Wijn gesint, ’t Is voort ses stuyvers voor de pint, Aen ’t gelt was niet misdreven, Indien ick dan mijn mont maer snoerd’ En niemandts kackhuys om en roerd’, En elck in rust liet leven. 3En hael ick eens een onz Toeback,

En vraegh hoe veel? Si soe, is ’t strack? Ty ick dan eens aen ’t smoocken, Soo drayt mijn kop gelijck een tol, Dan rijdt mijn Toover-geest op krol Van yeders Faem te spoocken. 4Indien men my verkeeren siet, ’t Is al si soe, en minder niet. Verlies ick dan een reysje, Soo is my ’t hooft geheel ontstelt, Mijn krancker mort, en schrijft, en schelt Op knecht, en eerlijck meysje. 5Ga ick tot een gerijf’lijck Dier, Of Motkas, si soe voor drie bier, En soo veel voor de kamer, ’t Soud wel zijn, speeld’ ick dan de stom, En roerden niemandts Liedtboeck om, Dat jock ick oock, en stamer. 6Maer soet, ick houd mijn montje toe,

’t Is al genoegh van dees si soe, Daer ’s oock niet aengelegen. Doch, mits sijn vrient gestorven is, Bid’ men u te begraeffenis Van deez’ Ses stuyvers wegen. M. Keusers.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Tweede deel) · Anoniem · Poetry Cove