VI.
’t WAs groot geluck aan d’ysre Mars,
Toen hy de Wereld over dwars
Doorkurf met sijnen slachswaards-slinger,
Dat Venus poesel, blosend-blanck,
Van passe dick, en niet te ranck,
Hem overstreelde met haar vinger.
De Smit in ’t vuurhof, onvermoeit.
By na van ’t voncken doorgeschroeit,
Verheugt, in Minos swavel-kamers.
Beuckt op het aanbeeld slach op slach,
So lang hem Paphos roem vermach.
En vreest hy gansch geen last van hamers.
De Hel-bedwinger, Pluto self,
Sich queeckt in sijnen solfer welf,
Als hy omvangt sijn Ceres leden,
Die, by hem uyt der Goden stee,
Verkregen door een droeve bee,
Ses maanden ‘s jaars daalt na beneden.
Geen wonder dan, o fiere Maagd!
Soo my d’ onvryicheyd behaagd,
Waar door ick ben aan u gebonden,
Indien ick slechs genese kan,
Met eens te kussen, ’t smarten van
Mijn oude en diep geschote wonden.
Een kus, een minnelijck gestreel,
Tirsinne zieltjen, is so veel,
Ia meer voor my als al die vreugden,
Want als ick maar een kus bekoom,
Dan swemt mijn hartjen in een stroom
Van vergenoegingh met u deugden.
Een kus, een sinnelijck gevoeg
Van uwe lipjes, is genoeg,
Om stip de nare doodt te tarten,
Een nectar kusje, sonder gal,
Spijt vrolijckheden, trotst het al,
En streck tot lichting mijner smarten.