Toon: Gy heiligheden die in kruiden.
DE kronkelende zwier, van uw hartstrikkend’ hairen,
Die langs uw schouwderen als gouddraat zwieren neêr,
O Hageroos, schijnt eer
Eer Minnezee, die golft met Venus gulde baren.
2Uw blakende oogen die mijn Ziel in Min verwarren,
Als goude Zonnen aan uw zilvren Hemel staan;
Gewis gy zijt Diaan,
Of zijt gy ’t niet, gy zyt dan een van haare starren,
3O purpre Rozemont, wie zou voor u niet buigen?
Hoe lukkig zal hy zijn die u geniet tot loon?
O Mont, daar minnegoôn,
Het hemels nektae en ambroos uit komen zuigen.
4Mijn waarde, die mijn hart geboeit hout aan uw hairen,
Wanneer u harder hoort uw hemelsche muzyk,
Dan neemt zijn ziel de wyk,
En wil uit zijnen mont in uwen boezem varen.
5Zing met uw schelle keel vol duizent Nachtegalen,
Dat d’Echo weergalm, op uw schelle en hoogen toon;
Ia dat al d’ akkergoôn,
Van vreugden huppelen in de Diemermeerse dalen.
Dullaars.