Stemme: De middagh Zon gaf geen gebloos, &c. WAt Noorde wint en bulder-buy Doet Neêrlandts stengen kraecken? En dwinght dat men een Schip vertuy Dat noyt in onweers braecken, Noch Ree, noch Zeyl, noch Wimpel-streek, Noch poort, noch kluys deed drijven.
Noch vyandts macht, noch wapens weeck, Moet in dit onweer blijven. Het sinckt, men pomp, en putst vergeefs, en ach! ter nauwer noot, Soo bercht sich ’t Vorstelijck gesach, en redt sich met de boot. 2Soo treurt de Haaghsche hovelingh En Neêrlants oorlochs stijlen, Nu Wilhelm als verschovelingh Van ’t licht ten graef doet ijlen. De Burger-man vloeckt Atropos, En swemt in bracke tranen, Het nooyt vertsaeghde krijghsvolck, los Hoofdigh, swieren treur-vanen. De bloedige Bellona treurt om sulcken oorlochs Leeuw. De Lely, Roos, en Bock, en Beyr, en Mars vervloeckt dese eeuw. 3Een Werelt vol gewoel, gedrangh, Begaf sich op de paden Van Haagh en Delfsche wandelgangh, Doorluchtighste GENADE.
Soo viert men u Lijcks laetste eer, Elck Paert met pronck behangen, Schuymbeckende beschreyt sijn Heer, Der Staten staet bevangen, Met droef heyt volgen ’t Zege-lijck, en dragen rouw in’t swart; Maer sijn Princes en Moeder lief, die dragen rouw in’t hart. 4Men viert een bodt van Adeldom Nae ’t graf sijn ancker kusten, De Kabel haalt men wederom, Maar ’t Ancker blijft’er rusten. De Werelt met verwonderingh Die sach die Son verdwijnen, Waer dat die Son voor ondergingh, Die Son die noch sal schijnen In ’t graf met glimp van zegen-praal, sijn eer en faam die sweeft Gelijck de windt de werelt door, soo ver als menschen leeft. M. Keusers.
Cookies on Poetry Cove