Stemme: Kom mijn Flora, schoonste &c.
ACh! ach! Clarinde, wat mach d’ oorzaak zijn
Dat ghy dus sonder reden vliedt van mijn?
En uwe vrientschap aan een ander draagd?
Heeft dit u vrient
En lief aan u verdient?
O lichtverleyde Maaghd’!
2Ick had mijn hoop en troost op u geboud,
Helaas! wie had gedacht, dat ghy my zoud
Zoo licht begeven, daar ik in u hart
Scheen vast ghekluyst
Door trouwe min: en juyst
Brouwd ghy my al de smart,
3Die ooyt een Minnaar lijdt, of heeft geleên;
Waer door mijn ziel en lichaam scheyt van een,
D’ ontrouheydt die ghy Chelimor betoont,
(Die ghy zoo snoo
Veracht) gedenckt, zal zoo
Niet blyven ongeloont.
4Had ick doch mijn gezicht verloren, ach!
Eer ik zoo keurigh op u schoonheyt zach!
Dan had ik nooyt gesmaakt deez’ swaar elend,
En bittere pijn,
Waar door, helaas! dat mijn
Ionck leven raakt ten end.
5Dies soud ick u noch graegh eens voor mijn doot
Wel willen spreken, maer ick voel de noot
En quellingh, die sich in mijn borst besluyt;
Sal haest, o ramp!
De flickerende lamp
Myns levens doven uyt.
6Maer of ’t gebeurde dat ghy u begaf
Eens by gevalle aan my treurig graf;
‘k Sal daer op uyt doen houwen dit gedicht,
(Opdat ghy meught
Gedencken ’t ongeneught,
Dat ghy my heden sticht).
7Hier leydt de trouwe Minnaar Chelimor,
Die noyt sijn tydt versleet met droef gesnor:
Maar soo dra hem syn lief Clarind begaf,
Sond hy syn Ziel
Nae ‘t Stigiams gekriel,
En ‘t killigh rif in ’t graf.
M. W. de Ionge.