IV.
TIrsinne lach en sliel in ’t bed als een Diaan,
Galteen sach, gantsch verstelt haar naackte Godheyd aan,
Eylaci! sey de borst, gelegen by haar leden,
Och of de gulde Son nu deysde ruggewaart!
Ick kreeg voor sulcken gunst, gewis een Hemel-vaart,
Rust noch een uurtje slegs, volmaackte schonicheden.
Doch, laas! de morgenstond verquist ‘er Rose-geur,
Nu merck ick dat Natuur geen onbegrele kleur
Geslaart heeft aan mijn Lief, wie schatten ooit sijn minne
Een schoonder Iuffrou waard! o overkost’lijck beeld!
Vergeef’t uw’ Herder dat hy dese kusjes steelt,
Noch eens, noch eens, Alwaardige Tirsinne,
Ick sterf, dry kusjes zijn de oorsaeck van mijn graf,
Toen riel de Maagd: neem my noch eens dry kusjes af,
Maar neen, den Minnaar was ol haren hals besweken,
Sy suchte reys ol reys, en sey: mijn ziel bekom,
Bedaar, gewenschte schat, sterf niet mijn Bruydegom,
Of geef aan uw’ Vrindin ten minsten noch een teken.
Waar zijn u eden heen? Mijn Celadon hoe dus?
Sy swoert my dat ick kon, alleenigh met een kus,
De allerhartste rots een sacht bewegen geven,
Toen drong haar droef getraan hem in sijn voor’gen staat
Iuyst met de darde kus: waar vindt de min geen maat?
Dry kusjes doden, en dry kusjes schaffen leven.