Ie fui vótre beauté, &c.
O Nooit-volprese leen!
In wien de vrolijckheen
Van Junos praal-ziraazjen staan ten toon,
Die dwingen kon de dapperste aller Goon:
Wanneer
Ick d’oogen keer
Na ’t lief gestalt,
Daer gy steeds mede bralt,
Dan roep ick: fiere Katarine,
In de wereld zijn
Oock Susters van Jupijn.
2Sach Paris ruggewaaart,
O Nimf! gy zoudt op aard,
Na sijn gevoel, des werelds parel zijn,
Gy kreegt de vrugt alwaerdige Katrijn,
Want sy
Zijn, met haer dry,
Vergode Maagd,
Die d’ Hemel self behaagt,
En Pallas in uw’ brein besloten,
Juno in den pronck,
En Venus in ’t gelonck.
3Puyck-pronckje van de Stad,
Die d’ heele wereld vat,
Waer door het jagt-rijck Amstels-Stroompje stroomt,
Mijn veder, Lief, uw’ jeugd verwellekoomt,
O Vrou!
Voor wien ick zou,
Met ziel en sin,
My hechten aen de min,
Om wien ick roep: o Katarine!
In de wereld zijn
Oock Susters van Iupijn.
I. Bara.