III.
WAnneer ick merck de gaven van uw’ geest,
De schoonheyd uwer leden
Het lijf geschoeit op Goddelijcke leest,
De keur van uwe seden;
Gewis ick sta met opgetrocke sinne,
Maar eene kus, mijn schat,
So machtig is, o Hemelsche Tirsinne!
Dat ick my selven vat.
Een nucht’re kus, van uwe ontslote mond,
O Zeelands-zier en pronckstuck,
Maeckt dat ick, uyt de dood, bly van die wond,
Mijn adem door een vonck ruk.