Stemme: Amarille mia belle, &c.
ROselijne wat lichten,
Wat herte-terend vuur, wat Ooge-schichten
Schiet ghy in mijn ghewrichten!
Recht als een Blom, dien ’t dauwtjen is ontsogen,
Sterft door de Sonne-Oogen;
So doen uw’ lichjes, als klippen-daeuw moet derven,
Roselijne, Roselijne, Roselijne my sterven.
2Maer wanneer ick de tippen
Van u coralen mondt, die lieve lippen
Voel haer aen mijne rippen,
Dan doeje een geest in mijn ad’ren komme:
En gelijck als een Blomme,
Rijst door de Sonne, na een vochte dauw, so groey ick
Roselijne, Roselijne, Roselijne so bloey ick.
3Wel dan lief, so de strale
Van uw’ uytmuntend oogh kan in my dalen,
En de ziel uyt my halen;
En dat een kus my wederom kan sogen,
Doodt dan vry niet u ooghen,
Maer als ick sterve, wilt my dan kusjes geven,
Roselijne, Roselijne, Roselijne, ‘k sal leven.