Toon: Eylacy wreede Wicht, etc.
SIet waerde Roselijn,
Hoe ick gestadigh quijn,
Door uwe vlam ontsteecken:
Hoe uyt mijn Oogen-badt
Langhs de wangen komt leken
Bigg’lend, het ziltigh nat.
2Ach! dat u Ooge siet,
Dees droeve tranen vliet,
En niet een traen laet tranen,
Sluyt dan de kille kouw
Vwe tranende banen?
Of zijt ghy sonder rouw?
3Neen, want een sagte sugt
Dickwils u borst ontvlucht,
Die kan getuyge wesen,
Dat in u killigh hert,
Nu een vonck is geresen,
Van mede Minne-smert.
4Sal ‘k dan de reden raen,
Waerom ghy mijn getraen,
Steets ziet met drooge Oogen?
Het is uw oogen-gloed
Die u tranen doet droogen,
En niet u kil ghemoet.