Skip to content
1655

Amsterdamsche Vreughde-stroom (Eerste deel)

Anoniem

Stem: De darde Carileen. WAerom benje spraeckeloos, Spiegel klare, water-are, sonder kroos? Seght my eens of Cloris hert, Inder daedt, tot mijn min gedreven wert?

Hy heeft vast geopenbaert, Aen de kant van sijn Boesem, dicht beswaert, Soete stroom vertelt, of sijn hert even is gestelt, Als sijn tongh, dickwils songh, en sijn reden heeft gemelt? 2Maer ick vrees dat veynsery My in d’ oogen, heeft bedrogen, en dat hy Dubbelhartigh my bemindt, Nu hy meer soetigheen by and’re vint: Maer wanneer ick by my self, Onder schaduw van digtigheyt op delf Hoe hy vol gevley, als de Son vlucht van de Wey, Vyt het dal, nae de stal, my quam bieden sijn gheley. 3Als hy met een Roose-krans, Vol Laurieren, my quam cieren, aen den Dans, En het aenghenaemste kruyt, Voor de tijdt rijp geworden, pickten uyt, En om mijn wellust te voen, Daer ick lagh, met mijn Schaepjes in het groen, Sachtelijck gherust, Hemel segt, was het niet een lust? Van mijn Lief, als een Dief, onversienst te zijn ghekust.

4Als ick al de Vrijery Overlegge, moet ick segge, dat hy my In sijn hert geschreven heeft, En op hoop van mijn wederminne leeft, Hemel die het al doorsiet, Seg my eens, of hy my mint, of meent my niet? Soo hy liefde draeght, en een ziel die na trouwen graeght, Ghy alleen, zijt die gheen, die my eeuwighlijck behaeght.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdamsche Vreughde-stroom (Eerste deel) · Anoniem · Poetry Cove