Stem: Nova.
PHilis, O schoon Godin,
Aenhoort u Herders sin,
Aenhoort u Slaef eens klagen,
Over u Bemin,
’t Is nu drie Iaer gheleen,
Dat uwe roode mont
En uwe teere leen,
Mijn jonck hert heeft gewont.
2By nacht alst niemant siet,
Soo klaegh ick mijn verdriet,
Voor haer gesloten deur,
Maer sy en acht my niet,
De maen getuyen sal
De traentjes die ick stort
Het droevighste van al
Sy niet beweeght en wort.
3V lieflijk oogen-strael,
Die zijn het principael,
Die mijn bedroefde ziel,
Aen doet dese quael,
Want uyt y ooghjes vloeyt
De Goddelijcke vlam,
Die mijn jonck hertje boeyt,
En d’eerste vryheyt nam.
4O Hemel schoone maeght,
Die ’s werelts wreetheijt draegt
Want ghy zijt als de Son,
Wanneer sy ‘s morgens daelt,
O Sterre, vol van vreught,
Princesse deser eeuw,
Want ghy toont in u jeught,
De wreetheyt van een Leeuw.
5Ick zweer u by de Goon,
En Plutoos duyster Throon,
Doet ghy mijn geen gena,
Ick sal my selven doon,
So ghy my sterven doet,
Ick sal tot u verwijt,
Doen schrijven met mijn bloedt,
Dat ghy de oorsaeck zijt.
6Of ist om dat nu zijn,
V Ouders meer als mijn,
Moet ick daerom u Slaef,
Derven dese pijn,
Princesse vol van jeught,
Aensiet mijn hooghste noot,
Eer ick hier neder kniel,
Geeft vonnis van mijn doot.