Skip to content
1638

Amsterdams minne-beekje. Deel 3

Anoniem

Op de wijse: Verdwaelde Coninginne. ACh schoonste Harderinne, Meestersse van mijn hert, Wiens seer gewenste minne My leven doet met smert, En sal ick u Seght schoone nu Noch nimmermeer verwerven, Off moet mijn pijn Een oorsaeck zijn Van mijn ontydigh sterven? 2 Soud ghy wel sijn soo wreede? Dat looff ick immers niet, Dat op al mijn ghebede, En innerlijck verdriet. Ach schoone Vrouw Ten eynd', mijn Trouw

V niet sou doen beweghen Tot weder-min, Daer hert, en sin Tot u soo zijn gheneghen. 3 Noyt kan sulckx in my komen, Dat u beleefden aert, De Liefd', sou doen betomen, Die u deught heeft ghebaert, En schoon aenschijn Waer door ick vijn Mijn soo overwonnen, Dat soo ghy niet Daer in versiet, Ick niet sal leven konnen. 4 Van u beleefde wese, En vriendelijck gelaet Beneemt my sulcke vreese, En afkeerlijcke haet: Verhopend' dat Fortunaes Rat Eenmael sal omme wende,

En door de Schicht Van 't kleyne wicht Af-keeren mijn ellende. T. D.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 3 · Anoniem · Poetry Cove