Skip to content
1638

Amsterdams minne-beekje. Deel 3

Anoniem

Stemme: Ghy lodderlijcke Nymphen soet. SIet hier de aldersoetste tijdt, Die, al wat adem schept verblijdt, En koestert dert'le wenschen Van sterffelijcke Menschen. 2 Die't groene lof, dat winters kracht Ontwijt heeft, en te niet ghebracht, Lockt met haer lieve lonckjes Wt schijn-verdorde stronckjes. 3 Die't aertrijck kleet met blijde kleur, Van Bloemtjens, die haer versche geur Doen uyt haer blaetjens rijsen, Om t hert, en breyn te spijsen. 4 Nu leeft, dat levend scheen als doot, Het Pluym-gediert, van lust ontbloot,

Queelt op verheven topjens, Met opgheblasen kropjens. 5 Het schobbigh Dier, indien het mocht, Begaf sijn vinnen in de Locht, Dat nu, om tijdt verliesen, Sich baeckert in de Biesen. 6 Nu lijmt Philander menigh Liet, Daer Cloris, met sijn snelle Riet Op past, om soete minne Te voen van Harderinne. 7 En dat Granida 't grasjen bindt, Waer van dat Thyrsus 't knoopjen vindt, Terwijl haer Schaepjens weyden, En woelen on-verscheyden. 8 En siet het sacht-ghewolde Vee, Het Oy, de Ram, de Lam'ren mee Zijn vrolijck om het paren Van die haer trouw bewaren, 9 En grasen in het Bruylofts-goet, Van Maeghde-kruydt, en Rosenhoet:

Wat kan men soeter wenschen Voor sterffelijcke Menschen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 3 · Anoniem · Poetry Cove