Skip to content
1638

Amsterdams minne-beekje. Deel 3

Anoniem

Stemme: Als 't begint. LAes, ey goude Son, ey neen, Rol niet so schielijck heen Met uw Paerden Nae de Aerde,

Ghy rijst te langhsaem weer, Hou doch wat dralen by de Kim, ey duyck niet neer: Want als u glans verdwijnt, En isser niet, dat schijnt Tot lavingh van mijn smert, Welck ick ghestadigh voel verheffen in mijn hert. 2 Ach Amynte dese gloedt Is soo diep in t ghemoedt Van u oogh-stralen // Komen dalen, Dat sy by duyst're nacht Alleen mijn ziel ontfonckt, en dan maelt het gedacht: Ghelijck Arctophylax Om sijn verkleumde as Sijn seven Sterren ment, En nimmer uyt en spant wijl 't spoor is sonder end. 3 Kom Cupido Venus wicht, Blust mijn brandt met een schicht Waer door lijf beyden En ziel scheyden, En maeck doch gheen voorslagh, Een langh te quellen, die doch noyt ghemeten mach. 'k En vrees gheen korte stoo Van u vernielend Loot. En denck hy luckigh sterft, En door een lieve dood veel duysend dooden derft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 3 · Anoniem · Poetry Cove