Wijse: O Kersnacht schoonder dan den daghe. ACh Laura, die door u ghefloncker Maeckt Cloris luyster doof, en doncker, En door u schitterend ghesicht Verzengt de Bloemen, en de Kruyden, En 't Fackel-licht dat daelt in't Zuyden, Als Delos voor u Toortzen zwicht. 2 Ach Bron, wiens Kristalijne stroompjes Bevocht de struyck van Elze-boompjes, Tuygh hoe ick om mijn Laura ween: Tuygh Vleughel-beesjens op de telghen Hoe Thirzis 't leet niet kan verzwelghen, Dat hy om Laura heeft gheleen. 3 Dwaelt, dwaelt dan mijn onnoz'le Lammeren, En wilt om Thirzis misval jammeren: Knaeut 't voedtzel met een volle toom, 'k Sal u den teughel nemmer snoeren, Noch oyt van 't Klaver-graesje voeren, Besproeyd u vacht in Lauraes stroom.
4 Laura, wiens wreede hert derf trotsen Het bars ghemoedt van klip, of rotsen, Aensiet hoe Thyrsis om u quijnt, Met wien 't gheluck volhert te schimpen, Terwijl hy teert door Lauraes glimpen, En als het Was voor 't vyer verdwijnt. 5 Ick voel mijn Ader-tochten flaeuwen, De duysternis mijn riff beschaeuwen: Mijn zieltje doelt nu nae haer rust. Vaert wel dan Laura mijn beminde, En als ghy Thyrsis doodt sult vinden, Segh dan: 'k heb mijn volkomen lust.
Cookies on Poetry Cove