Stemme: tSa, tsa, mijn Herders Riedt, &c. Of: Roemwaerde Carinel. MYn soete Rosemont, Die my dus hebt gewont, En my genesen kondt, Van al mijn pijn, Hoe lange sal ick doch Gequelt dus worden noch? Of sult ghy noyt enden Al mijn ellenden, Hoe sal het zijn? 2 Gaet u ter herten niet
't Onlydelijck verdriet, Dat ghy gestadigh siet, Aen mijn ghelaet? Of vreest ghy soete Meyt Voor mijn ghetrouwigheyt? So siet aen mijn wesen, Waer in ghy kond lesen Mijns herten staet. 3 Siet hoe k met ongeneugt En buyten alle vreucht Verslijt mijn jonge jeught Alleen om dy, V ooghen eenmael wendt Tot te droef ellendt Dat laes! ick moet dragen, By nachten en dagen, Verhoort doch my. 4 Siet aen o Herders meyt, Al mijn ghedienstigheydt, Die ick met vlytigheyt Aen u bewijs. Siet hoe ick met ootmoet V vallen kom te voet. Siet hoe ick met reden V schoone leden Gestadigh prijs 5 Wanneer den dageraet Des morgens vroegh op staet, En dat de Son opgaet, En ghy noch rust, Soo drijf ick alle bey De kudden in mijn wey, En laetse daer grasen En lieffelijck aesen, Soo langh 't haer lust. 6 Lest doen de Wollif quam En uyt de Cudde nam V aldervetste Ram Die 'k hem ontjoegh, En ghy waert aldermeest Voor u selfs bevreest, Heb ick my begeven
Int prijckel van mijn leven, Als ick hem versloegh. 7 En vele diensten meer Waer voor dat ick begeer Niet anders dan u weer Liefd, o Goddin, En eens verlost te zijn Van al mijn pijn, En dat tot mijn vrouwe 'k Mach wettelijck trouwe V mijn Herderin. A. L. Cock. Volstandigh.
Cookies on Poetry Cove