Skip to content
1637

Amsterdams minne-beekje. Deel 2

Anoniem

Stemme: O schoone Krieckelia. SOo als de silvre Maen Sijn helle schijn door Aurora verloos, En dat de lommer laen Een lieflijck licht door dicke schaduw koos, Daer yeder beesje sadt en sanck Den lof van reyne Scheppers klanck. 2 Doen vlood ick na de kruyn Door Boter blom en 't Claver rijcke gras, Tot op den Zavelduyn, Te kijcken waer mijn Amarillis was, Dan laes! de wolck van 's hemels douw

Verschuylden 't wesen van mijn vrouw. 3 Dies gingh ick sitten neer, Versmeet mijn Harders stafjen aen een kant, En socht door 't rietjes eer Te quelen al de vrucht van 't rijp verstant, Door 't Liedtje dat haer heeft beroert, En tot mijn kuyssche liefd gevoert. 4 Ick had het nauwlijckx uyt, Of schemers vonckje wees my op haer licht, De vreucht spronck over 't kruyt, En ruckten my tot aen het soet ghesicht, Daer my den goeden morgen bood, Een kusje dat door sieltje schoot. 5 Want druck van lip en handt Die stuwden lijf en lichaem tegens my, Vervlogen int verstant, O zielens vreucht, wie treft u Harmony? Het kitligh hartje wist niet wat En sween schier daer 't zijn leven hadt. 6 Begote werelt juyght, Die met zijn jeught op soo een Nymphe daelt,

Ey Hemels schaer ghetuyght, Alhier het eenigh luck van wenschen straelt, In soo een verghenoeghde keer, Dat wellust roept, ick ben te teer. A. de Brull. Je Bruelle en Dieu.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Amsterdams minne-beekje. Deel 2 · Anoniem · Poetry Cove